Adviezen van plantenkenner Clusius

Zestiende-eeuwse botanische aquarellen

Koop je Hortusticket(s) online
Adviezen van plantenkenner Clusius

Rondom de Clusiustuin van de Leidse Hortus zijn twaalf afbeeldingen te zien afkomstig uit de ‘Libri picturati’. Clusius, toen nog werkzaam in Brugge en later directeur van de Hortus, heeft de tekenaars vermoedelijk geadviseerd en de aquarellen van aantekeningen voorzien. Wie rond de Clusiustuin wandelt - de route maakt deel uit van het Singelpark - kan de afbeeldingen bewonderen zonder de tuin te betreden. Al zijn ze natuurlijk van harte welkom.

De Biblioteka Jagiellońska te Kraków (Krakau) bewaart meer dan 1.400 originele aquarellen van voornamelijk planten. Ze zijn gemaakt in opdracht van plantkundige Karel van Sint Omaars (1533-1569). Carolus Clusius (Charles de l’Écluse) woonde in de jaren dat die aquarellen gemaakt werden bij Brugge. Hij heeft wellicht advies gegeven bij het maken van de prenten en aantekingen bij de aquarellen zijn mogelijk door hem gemaakt. Later werd Clusius de eerste prefect van de Leidse Hortus.

Vijf tekenaars werkten aan de prenten, hun namen zijn niet allemaal bekend. Een van hen was Jacob van den Coornhuuse (ca. 1529-ca. 1584). 

Onderzoek

Na de dood van Karel van Sint Omaars kwamen de aquarellen terecht in Berlijn, inmiddels in de vorm van vijftien gebonden boeken (‘Libri picturati A 16-30’). Ter bescherming tegen oorlogsgeweld werd de collectie ondergebracht in een klooster in Grüssau (Krzeszów). Na de oorlog lag dit op Pools grondgebied en kreeg de verzameling een plaats in de universiteitsbibliotheek van Krakau, de Biblioteka Jagiellońska. 

Sinds 1981 is er veel onderzoek naar de stukken gedaan. Voor de uitgave ‘Libri picturati’ werkte een team wetenschappers uit Spanje, Italië, Polen, Duitsland en Nederland samen onder wie oud-prefect Jan de Koning en voormalig hoofd collectiebeheer Gerda van Uffelen, beiden indertijd verbonden aan de Hortus botanicus Leiden. Het boek waarin hun onderzoek en 90 aquarellen gepresenteerd werden, Drawn After Nature, is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar.

Achter de heg zie je de Clusiustuin, een reconstructie van de Hortus zoals die er 435 jaar geleden werd aangelegd. Dit jaar vieren we het feit dat Clusius 500 jaar geleden geboren werd. 

Informatie

• De borden staan heel 2026 rondom de Clusiustuin; een bezoek aan de Hortus is niet nodig - maar maak van de gelegenheid gebruik, wandel ook een rondje door de tuin en drink een kopje koffie in het gezellige restaurant.
• Het boek Drawn after nature; The complete botanical watercolours of the 16th-century Libri Picturati. KNNV Publishing, Zeist, 2008, ISBN 978 90 5011 238 3. Allen nog antiquarisch verkrijgbaar.

Europese cyclamen

De cyclamen is een echte bosplant: hij ontwikkelt zich langzaam en groeit oppervlakkig - handig om niet onder het jaarlijks vallende blad te verdwijnen. De hier afgebeelde soort is Cyclamen purpurascens, de Europese cyclamen, ook wel Alpenviooltje genoemd. In het wild komt hij voor in kalkrijke bergbossen van Centraal- en Zuid-Europa. Deze herfstbloeier geurt naar viooltjes. De oude Grieken en Romeinen kenden de wortelknol een geneeskrachtige werking toe.

Mossen en korstmossen

Op deze afbeelding zijn verschillende mossen en korstmossen te zien. In het kader van het HiddenBiodiversity-project doet promovendus Tim Claerhout onderzoek naar hoe mossen en korstmossen op bomen bijdragen aan een groenere en klimaatbestendigere stad. Het uiteindelijke doel van het project is om praktische adviezen te kunnen geven aan bijvoorbeeld gemeentes over stedelijke biodiversiteit.

Lees meer over het onderzoek naar (korst)mossen

Zoete aardappel

De zoete aardappel (Ipomoea batatas) uit Haïti werd daar ‘battata’ genoemd. Van dat woord zijn ook de woorden ‘patat’ en ‘potato’ afgeleid, namen voor de gewone aardappel (Solanum tuberosum). De zoete aardappel en onze bekende gewone aardappel behoren niet tot dezelfde familie, maar wel tot dezelfde orde, die van de Solanales.

De zoete aardappel is een klimplant met langwerpige knollen. Schil en binnenkant van de knol zijn er in allerlei kleuren, van geel tot dieppaars. De jonge scheuten en bladeren worden wel als groente gegeten. Al in 1576 schreef Clusius over de zoete aardappel, die hij in Spanje tegenkwam aan de zuidkust en daar door de Spanjaarden gegeten werd. 

In de Hortus groeit de zoete aardappel in de kas.

Maïs

Maïs (Zea mays) is een wonderlijk gewas: het kan zich niet zelf uitzaaien, doordat de kolf ingepakt zit in blad dat niet vanzelf opengaat. Hoe de Native Americans dit gewas hebben kunnen kweken is niet met zekerheid meer vast te stellen. Genetisch is de maïs die de Native Americans gebruiken het meest verwant aan het gras teosinte. 

De Brabantse plantkundige Rembert Dodoens schrijft in zijn Cruydeboeck in 1554: 'Men saeydt dit Koren in de hoven voor een nieuwigheydt oft vremdigheydt ende dat in Meert oft April.’ ‘Dit gewas is niet uyt Asien dat onder het ghebiedt is van den Turckschen Keyser maer is onlanghs uyt West-Indien dat is America en Spaegnien gebracht gheweest ende daernae in andere landen van Europa gesonden. In deselve landen wordt dat onderhouden om daer broot van te backen'.

Je vindt in de Hortus maïs in de systeemtuin en de groentetuin, in de nazomer.

Paarse dovenetel

De paarse dovenetel (Lamium purpureum) zorgt voor een kleurig accent in de winter, maar de plant bloeit de rest van het jaar ook. Het blad loopt op zonnige plekken ok vaak paars aan. Vaak heeft een paarse dovenetel de vorm van een pyramide: van boven smal van onder breed. De stengel is vierkant, net als bij de andere soorten uit de lipbloemenfamilie. Vroeg in het voorjaar bezoeken de dikke hommelkoninginnen de paarse dovenetels. De helmdraden dragen oranje stuifmeel. 

De paarse dovenetel is een populair stoepplantje.

Meer over stoepplantjes

Herfsttijloos

De herfsttijloos (Colchicum autumnale) onderscheidt zich van de krokus door het bezit van zes meeldraden, een krokus heeft er drie. Colchicum autumnale heeft één tot enkele bloemen per knol. De vaak verkochte droogbloeier Colchicum byzantinum heeft veel bloemen per (grote) knol. Je legt ze in de vensterbank en op den duur verschijnen de bloemen uit de droge knol. Na de bloei moet je de knol wel in de grond planten, wil je er langer plezier van hebben. 

Herfsttijloos is zwaar giftig door de stof colchicine. In de plantenveredeling wordt colchicine gebruikt voor het kunstmatig verdubbelen van het aantal chromosomen. Men heeft geprobeerd of dit ook bij dieren werkte en men wendde de plant om die reden aan om kankercellen te vernietigen. Dat werkte niet, maar er was een onverwacht bijeffect: patiënten die jicht hadden genazen hiervan. Colchicine remt ontstekingen, vooral ontstekingen in gewrichten door jicht. De dosering komt heel precies.

Gewoon sneeuwklokje

Gewoon sneeuwklokje (Galanthus nivalis) groeit oorspronkelijk in Zuid-Europa, de zuidelijke Alpen, de Balkanlanden, tot in Klein-Azië. Het plantje uit de Narcisfamilie (Amaryllidaceae) wordt zo’n 20 centimeter hoog en bloeit in februari en maart; in de halfschaduw, maar ook op een koel plekje in het gazon. 

Je vindt het sneeuwklokje in het vroege voorjaar in de Clusiustuin, maar ook onder de varenbeuk.

Naast het gewoon sneeuwklokje zijn er zo’n twintig andere soorten sneeuwklokjes en honderden cultivars en kruisingen.

Ontdek het sneeuwklokje in de Hortus

Narcissen

Tuinbaas Dirck Outgaertsz Cluyt (1546-1598), de rechterhand van plantkundige Carolus Clusius (1526-1609) maakte bij de aanleg van de Hortus een lijst namen van de planten die hij kweekte. Die lijst is bewaard gebleven, en de narcis komt er ook op voor. 

De Narcisfamilie, wetenschappelijke naam Amaryllidaceae, omvat alleen kruidachtige vasteplanten. De meeste familieleden zijn bolgewassen; veel komen voor in zuidelijk Afrika. Bekende bolgewassen uit dezelfde familie zijn sneeuwklokje, clivia en agapanthus.

De Narcis dankt zijn naam aan een tragische figuur uit de Griekse mythologie. De knappe jongeling Narcissus werd door mannen en vrouwen aanbeden. Hij werd door de goden gestraft omdat hij iemands hart gebroken had, en werd verliefd op zijn eigen spiegelbeeld in het water. Hij kwijnde weg langs de waterkant en er werd niets van hem teruggevonden behalve de mooie gele bloem. Wie te veel eigenliefde heeft wordt nog steeds een narcist genoemd. 

Turkse lelie

Al sinds de beginjaren van de Hortus groet de Turkse lelie (Lilium martagon) in de tuin.

De hangende bloemen, die ’s avonds sterker geuren, worden door vlinders en bijen bezocht en bestoven, of ze bestuiven zichzelf.

De Nederlandse naam dankt de plant aan de vorm van de bloem, die op een Turkse hoed lijkt, met de kenmerkende omgekrulde bloembladeren. Elke bloem heeft een doorsnede van vijf centimeter. 

Elk jaar sterft de lelie boven de grond af om in het voorjaar weer uit geelkleurige geschubde bollen op te schieten. In het wild vermeerdert de lelie zich hoofzakelijk door de platte zaden. De hoogte in het wild bedraagt zestig centimeter tot een meter. De bloei valt in juni en juli. 

Ontdek de Turkse lelie in de Hortus

Paddenstoelen

In Clusius' tijd werden paddenstoelen nog tot het plantenrijk gerekend, tegenwoordig behoren ze tot de schimmels. De paddenstoel vormt maar een klein deel van de schimmel: het vruchtlichaam.

De Hortus is een rijke groeiplaats voor paddenstoelen. In oktober 2025 deed de Leidse Hortus voor het eerst mee met de jaarlijkse paddenstoelentuintelling. Onder aanvoering van paddenstoelenkenner en rondleider Jan Hengstmengel kwamen we daarbij 54 soorten paddenstoelen tegen.

Verder lezen over paddenstoelen in de Hortus

Orchideeën

Vandaag de dag heeft de Leidse Hortus een onvervangbare collectie orchideeën, met name uit de tropen. In de tijd van Clusius waren tropische orchideeën nog niet in Nederland te kweken. 

In 1740 verscheen ‘Florae Leydensis Prodromus’, geschreven door Adriaan van Royen, van 1730-1753 Hortusprefect. Deze catalogus omvat 3.016 planten en beschrijft een bijzondere collectie orchideeën, waaronder tropische soorten. 

De eerste kas voor orchideeën dateert uit 1830; in 1862 bevatte de verzameling orchideeën al ruim vijfhonderd verschillende soorten. In 1888 maakte Hortulanus H. Witte een catalogus met 720 soorten orchideeën.

Het tropische-kassencomplex stamt uit 1938. In 1960 maakte een scheidingswand het mogelijk de temperatuur per kas te regelen. In 1996-1997 werden twee niet voor publiek toegankelijke onderzoekskassen toegevoegd voor de orchideeëncollectie, de zogeheten Roelfsemakassen. 

Meer orchideeën

Grondorchideeën uit Europa, zoals hier zijn afgebeeld, groeien ook in de Hortus. Zo verschenen er spontaan bijenorchissen in het gazon bij de Oude Sterrewacht.

Daarnaast is er tijdens het bloeiseizoen een mooie collectie grondorchideeën te zien in de platte bakken naast de tropische kassen. Deze bakken herbergen de bollencollectie van de Hortus, met onder meer mediterrane orchideeën. In 2016-2017 werd een speciaal alpine- of bollenkasje gebouwd bloeiende bol- en knolplanten (geofyten) te laten zien. De opening volgde in het voorjaar van 2017. De planten in dit ‘bollenkasje’ worden steeds omgewisseld om telkens nieuwe bloeiers van het seizoen te laten zien.

Kies een taal